kris2.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
deel 10 (Geschiedenis)
 
 
Ik verdiep me ook in de geschiedenis van de prostitutie in Nederland. Het lijkt erop dat in de eeuwen voor de twintigste eeuw prostituees over het algemeen slaven waren. De kentering lijkt zich in te zetten in de jaren 1960.
 
Uit het boek "Het Amsterdams Hoerdom - Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw" (Lotte van der Pol, 1996).
 
Een korte uitleg: speelhuizen zijn bordelen waar muziek wordt gespeeld. De prostitutie vind niet in de speelhuizen zelf plaats. De meeste bordelen waren geen speelhuizen. Wel was er een overlap tussen de twee vormen; veel prostituees werkten in beide vormen.
 
Lotte van der Pol verwijst ook veel naar het 17de eeuwse boekje T'Amsterdamsch hoerdom. Behelzende de listen en streken, daar zich de hoeren en hoere-waardinnen van dienen; benevens der zelver maniere van leeven, dwaaze bygeloovigheden, en in 't algemeen alles 'tgeen by dese juffers in ghebruick is (1681) geschreven door een anoniem persoon. Lotte van der Pol ziet het boekje als zeer betrouwbaar.
 
Pagina 34 (quote):
In de periode van de laat-middeleeuwse regulering bestond er een woord voor souteneur: in vele keuren komt ‘poytier’ in die betekenis voor. In de vroegmoderne periode ontbreekt een apart woord voor souteneur. Er is in die periode een duidelijke onwil om mannen te zien als actief betrokken bij de organisatie van de prostitutie: vrouwen, niet mannen werden als de instigatoren van dit kwaad beschouwd. Maar het type van de souteneur lijkt ook in werkelijkheid weinig voor te komen. Een enkele keer verschijnt er een ‘hoerenbeschermer’ voor de rechtbank, die door kruishoeren betaald wordt om hen in nood bij te springen. En in de achttiende eeuw hebben sommige prostituées een man die zij hun ‘liefste’ noemen, met wie ze samen wonen en die van hun verdiensten leeft. In het algemeen is er in de prostitutie van deze periode voor hen echter geen grote en duidelijke rol weggelegd.
Pagina 87 (quote):
Succesvolle waardinnen hadden weinig moeite om een man te vinden, wat blijkt uit het gegeven dat de hoerenwaarden vaak jonger, soms vele jaren jonger waren dan de waardinnen met wie ze leefden. De verdiensten uit de prostitutie in een hoerhuis waren het werk van de waardin; dit soort koppelarij was immers vrouwenwerk, evenals het toezicht houden op vrouwelijk personeel en de kleinhandel. (…) De rol van de waard diende zich te beperken tot schenker van drank en uitsmijter van lastige klanten. Dat de waard in feite leefde van de verdiensten van zijn vrouw, en dat dit ook nog in zekere zin besmet geld betrof, was voor de man vernederend. Mannen die ervan beschuldigd worden hoerenwaard te zijn, verklaren voor de rechtbank vaak dat ze er niets van weten en er niets mee te maken hebben, want dat het huishouden en dus ook het hoerhuishouden alleen hun vrouw aangaat.
Pagina 120 (quote):
Het kwam regelmatig voor dat een vrouw een hoerhuis verliet voor een man die haar wilde mainteneren. Meestal moest hij haar dan ‘lossen’, ofwel haar schulden betalen.
Pagina 199 (quote):
De confessieboeken in deze periode [1578-1650] geven een beeld van een prostitutie die kleinschalig is en nog weinig geprofessionaliseerd, en van prostituées die vrij onafhankelijk opereren.
Pagina 214 (quote):
Ook wezen genoten speciale bescherming van de stad. De burgemeesters hadden immers de ‘oppervoogdij over weduwen en weezen’ en legden bij ambtsaanvaarding een eed af dat ze ‘der stede poorteren, weduwen ende weezen’ zouden beschutten en beschermen. Wanneer een kind was verlaten door de ouders, wordt de formule gebruikt dat de ‘Heren Burgermeesters het kind hebben aanvaard’ en dat het ‘op ordre van de Heren Burgermeesters’ naar het Aalmoezeniershuis is gebracht. De overheid nam de plaats van de ouders in en het ‘debaucheren’ van een meisje uit een weeshuis werd dan ook extra waar opgenomen. De overheid was betrokken bij de twee stedelijke weeshuizen, het Burgerweeshuis en het Aalmoezeniersweeshuis, waarin de kinderen uit de armste en minst in Amsterdam gewortelde families zaten (…)
De bescherming van meisjes die nog in een weeshuis woonden, lijkt redelijk effectief te zijn geweest. De vele arme en familieloze aalmoezeniersmeisjes hadden een gemakkelijke prooi voor de prostitutie kunnen zijn, maar aan de confessieboeken te zien hebben de hoerenwaardinnen hen met rust gelaten, zoals ze zich ook liever niet brandden aan meisjes die familie in de stad hadden.
Pagina 223 (quote):
Een van de voornaamste instrumenten die de overheid in haar strijd ter beschikking staan, is het treffen van de bedrijfstak in zijn kapitaal. Toen in de zeventiende eeuw de hoerhuizen voortduren werden ‘gestoort’ en opgejaagd, bleven de prostitutiebedrijven klein. Door de grote kans op invallen en gedwongen verhuizingen was het niet verantwoord investeringen te doen; bovendien ontsnapt een grote zaak minder aan de aandacht van de justitie dan een kleine. Toen de speelhuizen in zwang kwamen, omstreeks 1675, liet de overheid deze zaken en hun waarden veelal ongemoeid. Alleen de prostituées werden er gearresteerd. Dit leidde tot grote zaken die heel zichtbaar opereerden; het is dan ook een bloeiperiode van de prostitutie geweest.
Pagina 223-224 (quote):
Het was veel effectiever de hoerenwaardinnen en –waarden te treffen dan de prostituées. De grootschalige arrestaties van prostituées in speelhuizen in het laatste kwart van de zeventiende eeuw hielpen nauwelijks om prostitutie te verminderen, zeker niet waar deze meisjes licht gestraft werden en snel weer in de business terugkeerden. De organisatoren beschikken over meer middelen om zich aan de vervolging te onttrekken dan prostituées, en de eersten hebben hun uiterste best gedaan de risico’s af te wentelen op de laatsten.
Pagina 272 (quote):
Tot 1670 kwam het vaker voor dat een huis waar prostituées woonden, veeleer een ‘oneerlijk slaaphuis’ was dan een bordeel. Prostituées waren toen minder persoonlijk gebonden aan een waardin en prostitutie was in het algemeen minder beroepsmatig van karakter. De prostituée had daardoor meer vrijheid en kon gemakkelijker uit het leven stappen.
Pagina 282 (quote):
In de betere speelhuizen werden ze slechts toegelaten als ze mooi gekleed waren, maar voor die kleren hadden ze zich niet zelden bij een hoerenwaardin in de schulden gestoken. Deze liet hen dan ook niet uit het oog, en veel prostituées gingen slechts onder geleide van hun waardin of haar meid naar de speelhuizen.
Pagina 300-301 (quote):
Het thema schulden loopt als een rode draad door de geschiedenis van de prostitutie. Misschien meer nog dat diepe armoede en honger komt dit door de eeuwen heen naar voren als reden om zich te prostitueren én als belemmering daarmee op te houden. Dit geldt ook voor vroegmodern Amsterdam. De hoerenwaardin had de connecties die nodig waren om aan klanten te komen en kon de bescherming leveren om deze ook daadwerkelijk te laten betalen. Maar haar belangrijkste kapitaal was materieel. De waardin onderscheidde zich van de hoer doordat zij geld of krediet had. Daarmee kon ze een huis huren en zaken als voedsel en kleren verschaffen, maar vooral bracht het haar in de positie een hoer geld voor te schieten of haar schulden over te nemen. Een vrouw die zwanger was, kon in een hoerhuis bevallen; een vrouw die ziek was, kon er verpleegd worden; wie werkloos was, kon er de tijd naar een nieuwe dienst overbruggen. De rekening moest echter vroeger of later via prostitutie voldaan worden.
Pagina 301 (quote):
Schulden werden ook opgebouwd aan het begin van een hoerenbestaan, voor de aanschaf van kleren en opschik. Mooie kleren waren nodig als beroepskleding, maar vormden voor meisjes uit de arme bevolkingsgroepen tegelijk een belangrijke verleiding om prostituée te worden. Kleren waren echter zeer duur en de schulden die zo gemaakt werden, konden slechts met grote moeite worden afbetaald.
Veel hoeren stonden al hun verdiensten af om hun schulden te betalen of opdat de waardin hen van kleren zou voorzien. (…) Juist jonge en beginnende prostituées vertellen dat ze zelf weinig of niets in handen kregen. Hun onervarenheid zal hen hierbij parten hebben gespeeld; tegelijkertijd was aan deze nieuwelingen het meest te verdienen.
Pagina 302 (quote):
In de jaren 1692-1694 werden bijvoorbeeld de volgende schuldbedragen opgegeven [in de confessieboeken]: 9, 10, 11, 12, 20, 30, 40, 40 à 57, 50 en 87 gulden. In de helft van de gevallen was dit meer dan het jaarloon van een dienstmeid. (…)
De schulden maakten dat de prostituées in de macht waren van de hoerenwaardin, die hen dan ook met schuld en al aan een andere waardin of waard kon overdoen (‘lossen’). Aaltje van Arnhem, gehaald uit de hoerenkelder van Anna Vlam in de Wijde Kapelsteeg, vertelde dat ‘haar kameraat voorlede sondag is gelost en alsdoen gegaan is na het hoerhuis op de Zeedijk bij Magteld’. De rechtbank vroeg toen ‘wat het te seggen is gelost te zyn’, waar Aaltje op antwoordde ‘dat Magteld voor haar schulden aan de waard en waardin betaald heeft.’ Vaker nog werden bij deze transacties ‘kopen’ en ‘verkopen’ gebruikt: de vrouw die voor 60 gulden gelost was, was een maand tevoren voor 80 gulden door Magteld ‘gekogt’. Dit waren normale transacties om aan de behoefte aan nieuwe gezichten te voldoen. De hoerenbesteedsters die zelf geen vrouwen hielden maar alleen bemiddelden, ontvingen hiervoor een commissie die eenvoudigweg weer bij de schuld van de meisjes werd opgeteld.
Pagina 305 (quote):
Het dwangmiddel tot prostitutie was echter vrijwel altijd de schuld van de hoer aan de waardin, en het lenen van geld was natuurlijk niet strafbaar. Volgens Het Amsterdamsch Hoerdom lukte het de vrouwen die door schulden in de macht van de waardin waren nooit om daar op eigen gelegenheid uit te komen: ze moesten zien te vluchten, of anders een man vinden die hen wilde vrijkopen, in de woorden van dit boek ‘dat ze een Zot by’t been krygen, die de schuld voldoet, en hen vorders van alle noodwendigen verzorgt, om een stinkend pis-gat voor sich alleen te hebben.’

Pagina 305 (geen quote) !!!!:
De schulden werden door de overheid erkent.

Pagina 306 (quote):
Toen de Duitser [Johann] Beckmann in 1762 in allerlei speelhuizen de meisjes naar de reden van hun oneerlijk leven vroeg, kreeg hij als standaardantwoord dat het meisje naar familieleden in Amsterdam was getrokken maar dat die waren gestorven en zij vervolgens door schulden in handen van een hoerenwaardin was geraakt [Kernkamp G.W., ‘Johan Beckmann’s dagboek van zijne reis door Nederland in 1762’, Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap 33 (1912), pp. 311-473]. Dat lijkt dus een vast punt ter verontschuldiging te zijn geworden, maar inderdaad lijken de schulden juist in de achttiende eeuw als een vanzelfsprekendheid beschouwd te zijn.
Pagina 307 (quote):
In de prostitutie heeft kleding een zeer belangrijke rol gespeeld. Juist door kleren en andere opschik zijn prostituées in de schulden geraakt. Mooie kleren behoorden tot de uitrusting, het arbeidskapitaal van de prostituée. In de boedelinventarissen van het achttiende-eeuwse Delft werden in de armste groepen bij prostituées veel en mooie kleren aangetroffen. De kleding was ook een belangrijk lokmiddel om vrouwen tot prostitutie te verleiden. Een meisje uit het volk bezat een heel beperkte garderobe, met als basis tot ver in de achttiende eeuw een simpele bruine of zwarte rok. De mooie kleren, vrolijke kleuren en opschik van de vrouwen van de hogere klassen die zie in het rijke Amsterdam volop zag, kon zij zich nimmer veroorloven; zelfs een goedkope imitatie van de mode lag buiten haar bereik. Kledingstukken van elke soort waren kostbaar maar waren ook van een kwaliteit die heel lang meeging.
Pagina 308 (quote):
Het systeem van schulden door kleren bleef  tot het einde der negentiende eeuw in zwang; vermoedelijk is hier een eind aan gekomen met het goedkoper worden van stoffen en de opkomst van de confectie-industrie, waardoor een variatie aan leuke kleren ook voor gewone vrouwen binnen bereik kwam.
Pagina 312 (quote):
Zo’n dure uitrusting lijkt pas in zwang te zijn gekomen met de ontwikkeling van de speelhuizen. Tot 1680 wordt slechts twee keer melding gemaakt van het verschaffen van kleren, vanaf 1680 wordt dat heel vaak genoemd.
Pagina 314 (quote):
De tabbaards, samaren en fontanges hebben de meeste aandacht van tijdgenoten en justitie getrokken, maar zullen alleen al door de kosten niet tot de normale dracht van de gemiddelde prostituee hebben behoord. Ook Het Amsterdamsch Hoerdom beschrijft naast hen die pretenderen juffers te zijn, veel ‘burgerlijk’ geklede, en zelfs al boerinnen uitgedoste hoeren, zodat er verschillende soorten volk werd aangelokt.
Pagina 326 (quote):
Binnen een hoerhuis lijken gewoonlijk slecht één of enkele klanten per dag of zelfs per week te zijn ontvangen. De organisatie en de omgang met een klant kostten op zich al veel tijd: vaak moest een vrouw gehaald worden, werd er samen gedanst, gedronken en gegeten, en soms bleef de man de hele nacht slapen of ging zelfs dagenlang met hetzelfde meisje op stap.
Pagina 329 (quote):
Pedofiele wensen van klanten blijven in het duister; er werden ook zeer zelden prostituées aangetroffen die jonger waren dan vijftien jaar. Kinderprostitutie op enige schaal is er niet geweest, al zijn er ook verhalen, geruchten en beschuldigingen die doen vermoeden dat iets dergelijks wel voorkwam.
Pagina 336 (quote):
De reisbeschrijvingen uit de tweede helft van die [17e] eeuw melden dat bezoekers bij binnenkomst van een speelhuis een fles wijn van een gulden voorgezet krijgen, of men die nu opdrinkt of niet. Een prostituée had de taak de man tot drinken aan te zetten en zelf op zijn kosten zoveel mogelijk te drinken; een goede hoer, die veel geld in het laatje brengt, kan volgens Het Amsterdamsch Hoerdom vooral ‘afgryselyk zuipen.’
Pagina 339-340 (quote):
De 6 à 8 gulden die een modale prostituée per week verdiend moet hebben, waren ongeveer gelijk aan het weekinkomen van een geschoolde arbeider in Amsterdam en twee of drie keer zoveel als wat een vrouw met gelijke arbeid kon verdienen. Na aftrek van kostgeld en afdracht aan de waardin zou ze wekelijks enkele guldens hebben kunnen oversparen; jaarlijks 100 à 150 gulden, drie- tot vijfmaal het jaarloon van een dienstmeid. Veel prostituees hadden schulden, en dan nog is het de vraag of er in dit milieu gespaard werd. Het Amsterdamsch Hoerdom schrijft dat de hoeren het verdiende geld heel gemakkelijk weer uitgeven, een observatie die ook in de negentiende- en twintigste-eeuws prostitutieonderzoek te vinden is.
Pagina 351 (quote):
Om de gasten te geven waarvoor ze kwamen – waar ze over  gelezen hadden -, werden investeringen gedaan in de huur van ruimten en muzikanten, in de aanschaf van meubilair, kleren en opsmuk. Deze investeringen hebben het prostitutiebedrijf geprofessionaliseerd en de prostituées in de schulden gestort.

Uit ‘Het Mysterie van de Verdwenen Bordelen – prostitutie in Nederland in de negentiende eeuw’ (Martin Bossenbroek en Jan H. Kompagnie, 1998):

Even een korte uitleg; Ottho Gerhard Heldring was een plattelandsdominee en richtte de Heldring-stichtingen op na een bezoek in 1847 van de enige vrouwengevangenis in Nederland in Gouda (p. 103). Hij was geschokt hoe jonge vrouwen er werden gerekruteerd voor de prostitutie; de jonge vrouwen zaten samen met hoerenmadammen (p. 103). Hij opende in 1848 Asyl Steenbeek te Zetten om gevallen vrouwen op te vangen (niet alleen prostituees) (p. 110). De dagelijkse leiding stond in handen van Petronella Voûte (p. 111). Heldring stierf in 1876 en werd begin 1877 opgevolgd door Hendrik Pierson (p. 129). Op 14 April 1877 ging trouwens Asyl Steenbeek in vlammen op waarin ook Petronella Voûte om het leven kwam (p. 123). Het werd wederopgebouwd.

Pagina 117-118 (quote):
Gelukkig voor Heldring kende hij in andere opzichten minder twijfel – en meer publieke bijval. Zo wist hij in 1859 de juiste snaar te treffen door het lot van prostituees in de bordelen nadrukkelijk te vergelijken met dat van slavinnen. (…) Zijn brochure met als titel de retorische vraag Is er nog slavernij in Nederland? heeft sindsdien een zekere faam verworven, niet alleen vanwege de signaalfunctie, maar zeker ook vanwege het politieke effect dat dit keer wel werd bereikt. Wederom draaide het om schuld en boete, maar nu in een totaal andere betekenis.
‘De schuld’, dat was het bedrag waarvoor een prostituee doorgaans in het krijt stond bij een bordeelhoudster, de ‘boete’ was het slavenbestaan waartoe zij daardoor veroordeeld was. Zo’n vijf jaar voordat Jacob van Lennep zijn Klaasje Zevenster in zo’n val zou laten lopen, schetste Heldring op basis van ‘de lotgevallen en berichten der asylisten’ in Steenbeek alvast het dramatische scenario: jonge dochter wordt door koppelaarster op slechte pad gebracht, uit ouderlijk huis verstoten, waarna een ‘juffrouw’ – geen juffrouw Voûte, maar een Mama Canaille – zich over haar ontfermt, haar in ‘de fraaiste toiletten’ steekt, ‘de goede vrouw schiet alles voor’, maar alras blijkt juist die ‘pracht van kleederen’ de eerste schakel van de slavenketting, niet alleen wordt ze nu opgediend aan ‘de rijken verfijnden wellusteling’, maar ook loopt haar schuld steeds hoger op, want alles kost geld, kost en inwoning, kleding en bewassing, reparaties en medisch onderzoek, alles twee-, driemaal de gewone prijs, zodat aflossing van de schuld, ontsnapping aan de slavenketting onmogelijk is, of een van die rijke verfijnde wellustelingen moet haar vrijkopen, dat wil meestal zeggen als privé–slavin misbruiken, of een andere madam moet haar willen overnemen, waarna er over haar onderhandeld wordt als over een stuk vee, en zij haar slavenbestaan voortzet in een ander bordeel, en na een tijdje in weer een ander, net zolang totdat ze vroegoud en versleten is en geen waarde meer heeft en wordt afgedankt, en eindelijk haar vrijheid herkrijgt, de vrijheid om te creperen als bedelares of landloopster. ‘Dat er zulk een handel in menschen bestaat (…) [(…) in book ‘Het mysterie….’] in het beschaafde Nederland,’ concludeerde Heldring afgemeten, ‘dat is onverantwoordelijk.’
Pagina 152 (quote) [Hendrik Pierson reageert op een wet die bordeelhouders verplicht bekend te maken aan vrouwen wat voor werk ze gaan doen in aanwezigheid van de burgemeester of één van z'n ambtenaren]:
Uit zijn Steenbeekse ervaring wist hij [Hendrik Pierson] welke ‘tooverkracht’ de bordeelhouder ‘of nog meer de bordeelhoudster’ over een ‘pensionnaire’ uitoefende, om haar te laten zeggen wat de burgemeester wilde horen. Nee, de enigen die voortaan ‘een steun in de wet’ zouden kunnen vinden, dat waren de bordeelhouders zelf. Hun beroep was nu, helaas, wettelijk erkend.
Pagina 214-215 (quote):
Op voorstel van de medicus A. Voûte werd besloten dat er een nader onderzoek naar aard en omvang van de prostitutie zou worden ingesteld, en wel – een landelijke primeur – door leden van de gemeenteraad [van Amsterdam] zelf. Naast Voûte en collega-arts en wethouder C.F.J. Blooker werden in de commissie ook Fabius en J.G. Schölvinck, twee van de elf initiatiefnemers, en P. Nolting benoemd.
Was de instelling van de raadscommisie al opmerkelijk, door de ambitieuze werkwijze werd haar onderzoeksrapport helemaal bijzonder. Cijfers verstrekt door politie en bevolkingsregister, werden aangevuld met informatie van middernachtzendelingen. Ook gingen enkele leden van de commissie zelf op pad, de bordelen langs, gewapend met vragenlijsten in het Frans, de moedertaal van de meeste daar werkzame prostituees.
(…)
Het kostte de commissie op deze manier ruim een jaar, maar haar conclusie gepresenteerd op 20 Januari 1897, liet toen aan duidelijkheid niet te wensen over. ‘De openlijke huizen van ontucht moeten verdwijnen,’ luidde haar eensgezinde oordeel. De achterliggende argumentatie was samengebald in één van emotie trillende zin: ‘dat bestendiging der bordeelen beteekent bestendiging van den mensch-onteerende handel in vrouwen; bestendiging van de ergerlijkste verleiding tot de gemeenste vormen van ontucht; bestendiging eindelijk van de aan slavernij grenzende afhankelijkheid, waarin medemenschen door het uitvaagsel der maatschappij worden gebracht en gehouden.’
Het waren vooral de antwoorden van prostituees die indruk bleken te hebben gemaakt op de commissieleden. De werkomstandigheden in de bordelen, met hun dictatoriale gouvernantes, hun leugenachtige placeurs en hun vastgestelde hoge prijzen voor van alles, waren je reinste uitbuiting; (…)

Uit “Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen” (Petra de Vries,1997)

Pagina 252-253:
In het najaar van 1901 ging de politieman J. Balkenstein, een man die sympathiek stond ten opzichte van het werk van de Middernachtzending, op bezoek in de Amsterdamse bordelen. Deze opmerkelijke stap hield verband met de opdracht die hij van het Nationaal Comité gekregen had om een onderzoek in te stellen naar 'de aard en omvang' van het probleem van de handel in vrouwen en kinderen. Onder de dekmantel 'klant' hield hij gesprekken met prostituees, als politieman ging hij tot in het buitenland de gangen na van bepaalde verdachte 'besteedsters', 'placeurs' en 'handelaren', en hij zette zich persoonlijk in om meisjes los te krijgen uit bordelen waar zij tegen hun wil terecht gekomen waren. Het resultaat van zijn inspanningen legde hij neer in een gedetailleerd rapport dat beschouwd kan worden als een uniek historisch document over de vrouwenhandel rond 1900. Het onderzoek had een sterk empirisch karakter waarin duidelijk de hand van de politieman, gewend aan objectieve beschrijving van 'gevallen', te herkennen is, en waarin zonder veel ideologische opsmuk een antwoord kwam op de vraag die abolitionisten dwars zat: hoe het nu toch mogelijk was dat misleide meisjes niet onmiddellijk rechtsomkeert maakten wanneer ze merkten in een bordeel terecht te zijn gekomen. Het rapport Balkenstein liet bijvoorbeeld zien hoe jonge, minderjarige Franse meisjes via misleiding en valse papieren in het luxe bordeel Maison Weinthal in Amsterdam terecht kwamen, hoe de vrouwen geïntimideerd werden, hoe velen van hen in de zogenaamde gesloten bordelen daadwerkelijk zelden of nooit alleen buiten kwamen en dat sommigen geen kleding hadden om zich mee op straat te vertonen, hoe onverschillig de politie reageerde op geweld tegen de vrouwen. Ook wat tegenwoordig 'trauma' heet klonk door, sommige vrouwen wisten niet eens dat zoiets als een bordeel bestond voordat ze er terechtkwamen; in een geval was er een meisje dat voortdurend 'schreide' en met hulp van de andere vrouwen letterlijk wist te ontsnappen. Een beproefde methode scheen ook te zijn om de vrouw angst voor de politie in te boezemen, juist omdat haar 'papieren' niet in orde waren. In dit verband werd later door verschillende abolitionisten dezelfde vrouwelijke zwakte gesignaleerd: "Iedere vrouw, maar vooral een onbeschaafde heeft een natuurlijken schrik voor 'papieren en stukken'"
Het rapport van Balkenstein werd vanwege 'kieschheid' tegenover de Nederlandse regering, die zo'n 'loyale medewerking had verleend', niet gepubliceerd, maar het kreeg desondanks door de Franse en Duitse vertalingen grote internationale bekendheid. Voor de abolitionisten was het rapport belangrijk voor de politieke propaganda, omdat nu definitief aangetoond was dat er in heel Europa een 'georganiseerde handel' bestond.
Uit ‘Het rosse leven en sterven van de Zandstraat’ (M.J. Brusse, oorspronkelijk 1912, tweede vermeerderde druk 1917, met illustraties). Zie een online versie op: www.dbnl.org

Korte uitleg: dit is een heel interessant boek over de oude Zandstraat in Rotterdam waar veel prostitutie plaatsvond. Veel informatie komt van een oud-majoor van de politie en een rechercheur die een rondleiding geeft. Met de "Polder" bedoelen ze volgens mij het gebied rond de Zandstraat.

Pagina 9 (volgens M.J. Brusse):
En 'k heb menige oude madam, die wie weet hoeveel onschuldige meisjes afgericht heeft, met tranen in de oogen over Juliaantje hooren lispelen.
Pagina 22:
Een oud-majoor van de politie vertelde mij over 't verleden van den Polder:
,,In 77 maakte ik mijn eerste ronde in de Zandstraat, en sedert heb ik er jaren geloopen, maar nooit een klap of stoot gehad. Want 't was er immers altijd gemoedelijk. En wanneer 't eens noodig was, deed je met een grooten mond veel meer dan met je sabel of pen en inkt voor 'n verbaal.
"T och is 't er nu doodsch, vergeleken bij toen. Haast iederen avond kon je d'r wel over de hoofden loopen. Moet u ook niet zuinig over denken, als daar aan de Boompjes zeilschepen vijf, zes dik lagen, en al die matrozen waren jaren weg geweest. Dan kwamen ze met een zak vol geld de Zandstraat in en zochten d'r troost en weligheid in 't Paard in de Wieg, in Londen’s Piket, de Fontein, of bij Daatje in de korte rokjes. Je had er nog zoo'n danshuis in de Trouwsteeg ook. En Hasko in de Peperstraat, en in de Raamstraat de Ooievaar, o ondeugend symbool! - Maar dat was daar toen alles nog degelijk werk. Tjonge ja, hoor... En nou, - elk huis, waar een fIesch bier op tafel staat, noemt zich meteen maar danshuis, tegenwoordig.
“Ook in de knipjes had je behoorlijk hoornmuziek; heele orkesten. Een orgel hoorde je niet. Toen Dirk Paternot 't eerst een draaiorgel nam in z’n zaak, was dat een wonder van geweld. En pas later volgden Vater Rhein en Charli in 't Engelsche cafe~chantant 'm na; - toen Bertus Henning, op 't Roode Zand, waar later Posthuma, de burgemeester van den Polder, in kwam."
Pagina 26 (volgens de majoor):
Maar die ellendige schande van souteneurs was nog totaal onbekend, en dus ook de chantage, de roof!
Pagina 29 (volgens de majoor):
"Maar wat 't ergste is? - Ja, hoe ging dat vroeger jaren? Dan waren 't vooral meiden, die te lui waren om te werken, en uit eigen wil maar liever in de Zandstraat gingen zitten. Nu is 't veelal dat jonge goed van dagmeisjes en fabrieksmeisjes, die je in mijn tijd nog niet zoo had. Zij zijn 's avonds vrij, gaan dan maar dansen in de Zandstraat, of 't voor een burgerdochter geen schande meer is. Hoeveel ouders gaan de gangen van hun kinderen nog streng genoeg na? Hoeveel kinderen storen zich nog aan dat strenge toezicht, aan 't uur van thuiskomen 's avonds? - Net zoo lang tot ‘t te laat is, en ze in handen vallen van die gewetenlooze slampampers, wie 't er immers alleen om te doen is juist zulke meisjes af te richten, dat ze weldra voor hen in schande den kost gaan verdienen..."
Pagina 30-32:
Voor ik mijn onderzoekingstochten onder de Poldermenschen en in en door den doolhof van hun Polderwoningen begon, ben ik eerst om raad gaan vragen aan enkele autoriteiten, die door hun ambt met de toestanden in dat donkere wereldje vertrouwd zijn geraakt. Onze hoofd commissaris van politie stond mij aanstonds welwillend te woord. De Zandstraatbuurt heeft zijn volle belangstelling; en niet alleen omdat zij zich daar dag en nacht voort in opdringt door haar misdaden en vergrijpen. De heer Roest van Limburg beziet dezen lastpost ook nog wat dieper. Hij tracht op allerlei wijzen door te dringen in den aard van de bevolking, zoekt naar de psychologie. En uit de sociale wanverhoudingen, de woningmisstanden, die daar samengaan met ontucht en criminaliteit, tracht hij zich een oordeel te vormen, dat hem in staat stelt zijn taak nog wat idealer op te vat ten dan als alleen om de openbare orde te bewaren. Hij staat er niet uitsluitend tegenover als het hoofd der politie, die met alle gestrengheid waakt tegen de overtredingen van strafwet en verordeningen; de heer Roest is overtuigd, dat het ernstig waarnemen van oorzaken en gevolgen ook aan hem en zijn korps een invloed van vertrouwelijker, van humaner aard zal geven, waardoor wellicht op den duur heel wat leed van misdaad en prostitutie kan word en voorkomen en de immoreele besmetting ingeperkt.
Maar daarvoor is meevoelen en begrijpen, vooral ook vertrouwen wekken, een eerste voorwaarde. En uit die overweging was de hoofdcommissaris mijn plan wel gezind. Laat de menschen maar eens naar waarheid lezen van wat er omgaat in die onderste lagen. Daar door zullen scheeve voorstellingen recht gezet kunnen worden, en het kan voor alles tot waarschuwing strekken.
Om tot die juiste inzichten te geraken, heeft de heer Roest van Limburg toen eerst zelf met mij gesproken; mij geïntroduceerd bij den chef van de zedenpolitie, om op de hoogte te komen van haar kiesche roeping ; heeft hij mij ‘t geleide meegegeven van een bezadigd en plaatselijk wel vertrouwd rechercheur, die mij in den Polder den weg kon wijzen, en van eigen dagelijksche ervaringen vertellen, opdat ik nu dan ook ònder het oppervlak door zou kunnen dringen in dit moeras. Van den directeur der bouwpolitie ondervond ik dezelfde welwillende medewerking. Het "Stadstimmerhuis" was tot inlichtingen omtrent de plannen van de groote onteigening bereid. Een der meest ervaren doctoren op het gebied van venerische ziekten deelde mij enkele conclusies mee uit zijn jarenlange praktijk...
Want zij allen waren het er over eens, dat het wel degelijk zijn nut kan hebben om het publiek ook eens ernstig voor te houden wat er zoo al onder de menschen in den Polder leeft; om de averechtsche begrippen wat juister te stellen; het oordeel in sommige opzichten misschien milder te stemmen, en in ieder geval om onverholen de velerlei gevaren aan te duiden, die daar dreigen op moreel, hygiënisch en sanitair, en op maatschappelijk gebied. Want het zijn immers verschijnselen in onze groote samenleving, van zeer ver strekkende oorzaken en gevolgen, die waarlijk, door ze maar altijd te verheimelijken, niet minder diep doorzieken. Een aanzienlijk percentage van de stadsbevolking veel talrijker dan gij zoudt durven vermoeden is er direct bij betrokken, en warempel niet altijd door eigen schuld of eigen verdorven wil alleen. En het overige deel der burgerij, van wat stand dan ook of van welken leeftijd, is toch min of meer blootgesteld aan de kwade kansen van allerlei aard, die in deze besmuikte toestanden hun oorzaak vinden.
T oen ben ik dienzelfden avond dan meteen maar met mijn leidsman op stap gegaan naar den Polder. En 't was wonderlijk, zooals ik daar, onder den invloed van den rechercheur naast mij, alles aanstonds anders ging zien dan toen ik er vroeger maar zoowat rond had gezworven met gretige schildersoogen en licht gevoelig voor de stemmingen van 't geval.
Pagina 44-46 (volgens de rechercheur):
En de gehaaide polderklanten vigileeren op ‘t onverstand van veel ouders, die soms al gauw de knip op de deur doen, en hun loszinnige dochter dan maar eens 'n nacht niet binnen laten, tot haar straf! - Je hebt van die souteneurs-typen, die daar een stelsel van maken. Zij doen zich aanvankelijk voor als de eerbaarste galanten, die een "nette verkeering" aan willen gaan; spreken van trouwplannen, als echte "verleiders", waarvan je wel leest in afleveringenromans... Maar onder 't dansen maken ze 't later en later... Tot vader eindelijk wit van drift uit ’t bovenraam buldert: "Jaan, hier en ginder, je blijft er maar buiten vannacht!"
Dàn heeft de slampamper z'n zin... Onderdak voor den nacht genoeg in al die logementjes en rendez-vous van den Polder, voor zulke verstooten schapen met haar beschermers. Of als 't meisje dat nog niet wil, heb je bier en daar wel een goedige moeke, die zich teederlijk over zoo'n minderjarige deern ontfermt in haar knipje, 't zij daar boven op 'n leegstaande kamer... En moeke, zij 't dan Belze Jeanette of Scheele Dien, belooft ’t bij haar ziel en zaligheid, dat ze de verloren dochter nóóit zal verraden, als Jaan dan ook maar aan niemand "verkotst", wat ze bij geval in moeke's zaakje mocht zien en... zêlf ondervinden, bij geval.
Maar in den regel stelt de ridderlijke galant toch wel voor om den boel nu maar bij elkander te doen, en vast op zoo' n gemeubeld Polderwoninkje te gaan zitten, in afwachting van al 't gemier om zoo gauw mogelijk samen te trouwen... Dat is wel de meest normale gang. De jongen verdient weliswaar oogenblikkelijk geen cent - hij is stereotyp “loswerkman” - maar och, daar valt nog zoo wel 's wat af, wanneer ie met de kameraden is...
Totdat dan eerst de gevolgen van ’ t samenwonen komen, die 't meisje nog hechter binden aan haar “knul”, en hij langzaam aan de dressuur begint, om haar schaamtegevoel wat te harden, met behulp gewoonlijk van z'n eigen bedorven makkers, of met dreigementen en geweld. Want dat is maar de bedoeling. 't Is om niets anders begonnen, dan dat zij, hoe eer hoe liever, voor hem den kost, en liefst wat heel ruim en lekker, gaat verdienen. Daarvoor drijft hij z'n liefje de Blaak op; volgt haar zelf aan den overkant... En als ze geen durf genoeg heeft, in 't begin; niet schaamteloos de taak vervult, waar hij haar op afgericht heeft, dan zwaait er wat 's nachts... Maar in den regel is de methode wel beproefd, en binnen een week of wat kan hij haar ‘s avonds alleen laten vigileeren op straat; brengt zij wel geregeld de taxe mee naar huis, dien hij haar gesteld heeft...
Dan is de Polderbevolking weer met een gehaaide lichte vrouw meer aangevuld. En och, onder diezelfde leiding, onder dat vertrouwelijke verkeer met zakkenrollers, ladenlichters, kwartjesvinders, dieven en inbrekers - waarin ' t gilde van de souteneurs meegaat, zooal voor tijdverdrijf buiten den Polder, als ze schaailoos loopen, omdat hun meiden immers bezet zijn op de woning, - och, in die misdadige sfeer is de overgang van prostitutie op ‘t berooven van de klanten veelal óók maar een stapje.
Wordt haar “knul” dan soms al eens gesnapt voor een onfortuinlijken slag en meest voor jaren opgeborgen, wel dan treurt en simpt ze gewoonlijk een poosje om zijn ellende en haar gemis aan wreed liefdegeweld, - maar onder de gabbers zijn er genoeg bereid haar te troosten en 't bedrijf gaande te houden op denzelfden voet. Want 't is een gewoon verschijnsel, dat de makkers onder elkaar – zij ‘t dan in de brieven naar de gevangenis verzwegen - de liefjes zoo lang overnemen, voor wie momenteel hun straf weer eens uit moeten zitten. Een heel enkelen keer blijft de meid in zooverre trouw, dat zij geen vasten plaatsvervanger verkiest, maar zelfstandig, of samen met een vriendin, gestoffeerd gaat wonen, om ’t eigen zaakje te drijven tot hij weer loskomt. 't Zij eenigerlei waardin haar tijdelijk "een kamer verhuurt", zooals dat sedert ’t bordeelverbod heet, tot ‘r "vent" dan weer vrij raakt... Maar in den regel is die slaafsche behoefte aan een mannelijken "steun" in ’t lichte leven wel zóó onbedwingbaar, dat ze vandaag of morgen dan tòch maar liever een "noodhulp" neemt. En zoo groeit 't verfoeilijke souteneursdom - vooral na de uitvoering van ’t voorstel – Van Staveren - steeds onrustbarender aan: en waarlijk niet alleen in den Polder ! Want de opheffing van de bordeelen drijft de vrouwen er meerendeels toe om bij zulk slag kerels "bescherming" te zoeken.
Pagina 61-63 (volgens de rechercheur):
(…) maar die smerige kerels wikkelen er zoo' n meisje heelemaal in, en 't is soms warempel of ze door die souteneurs betooverd zijn.

“Daar heb je er onder, van die slampampers, meest in den leeftijd zoo tusschen de achttien en de vier en twintig jaar - je zoudt ze je eigen dochter te biechten sturen. Fijn aangekleed, net van gezicht soms, zoo heel ordentlijk in 't praten, als ze maar willen. Want er zitten er dan ook uit allerlei stand in den Polder; van bekende families, heele heeren, die daar nu maar luieren
en verliederlijken op kosten van zoo'n arme meid. En je begrijpt niet wat dat jonge goed er soms aan vindt; wat die souteneurs soms over zich hebben, waar ze zoo dol op worden, die meisjes. Maar de politie houdt er 't oog op, en zoodra we van zulke argelooze deerntjes met die joppers zien staan praten, worden ze gewaarschuwd en op de hoogte gebracht.
“Want zulke kerels, dat is al wel mee 't grootste gevaar. Er zijn er onder, waarvan we weten, dat ze zoo al vijf, zes meisjes na elkaar van buiten den Polder in ’t lichte leven hebben gebracht. 't Is een fabriek van prostituees; en dan die massa's onechte kinderen. Maar die worden in den laatsten tijd, dank zij de Kinderwetten, gelukkig zoo gauw mogelijk door de overheid aan ’t verderf onttrokken... Och, en aan de meiden zelf, als ze eenmaal samenhokken met zoo'n souteneur, dan is er gewoonlijk met veel meer aan te doen. Dan zijn ze zoo heelemaal ingesponnen; soms door de liefde, soms uit vrees, meestal door allebei tegelijk. Want ’t gebeurt vaak genoeg, dat ze bij de zedenpolitie haar nood komen klagen... Een meisje: zwarte Sien, 'n jong ding nog, heeft zelf verteld, dat die Macaroni iederen avond vijf gulden van haar eischt, of ze krijgt onerbarmelijk slaag. Maar da's nog niet genoeg. Als ze soms nog wel 's met heeren is geweest, met getrouwden vooral, dan verlangt hij van Sientje, dat ze hun sommen geld af zal persen, bijvoorbeeld van zoo' n vijftig gulden, - of dat hij anders aan hun huizen zal gaan. En dat wil Sientje niet, daar is zij nog te fatsoenlijk voor. Maar wat moet ze nu doen? Want die Macaroni heeft 'r heelemaal in z'n macht. Van 'm wegloopen wil ze en durft ze niet, zoo doodelijk bang en toch ook zoo dol verliefd als ze van dien vent schijnt te zijn.
“En 'n prachtig middel van die slampampers om de meisjes gek te maken: dat zijn dan de danshuizen. – “Wat steekt er nu in ’n dansje?" – denken die daghitjes, die fabriekswerksters, strijkstertjes, waschmeisjes, en al zulk jong goedje, dat 's avonds nog al eens vrij heeft. Dansen is een pretje; wordt immers bij iedere gelegenheid, bij alle feestjes en in alle kringen gedaan? - Maar 't verderfelijke van 't dansen hier is, dat 't de meisjes van soms pas veertien, vijftien jaar den Polder inlokt, onder de Polderbevolking, in een gewarrel en gezwier met publieke vrouwen, met aangeschoten zeelui, die er niet anders verwachten dan lichte meiden; en met die sluwe vogelaars: de souteneurs ! Want voor die allen is 't dansen immers geen doel; ‘t is enkel maar middel tot 't ergste moreele kwaad..."

Uit “Kind onder de hoeren – Herinneringen uit de rosse buurt van Amsterdam van 1913-1937” (Nel Hoenderdos, 1976)

Korte uitleg: Nel Hoenderdos groeide op in de rosse buurt van Amsterdam.

Pagina 151:
Die mooie dames, die hoeren hadden maar weinig geld. Ze ontvingen veel maar er bleef maar bitter weinig voor hen zelf over. Ze zaten op het halfje, dit wil zeggen dat de hoerenmadam, die de kast gehuurd of gekocht had, meteen al de helft van de inkomsten inpikte. Dan hadden ze haast allemaal een zogenaamde beschermer die geregeld een groot deel van het restant op kwam eisen om er goede sier mee te maken. Zodoende hadden deze gekooide vrouwen, deze blanke slavinnen zelf haast niets.
“Doden spreken niet – Veertig onopgeloste moorden” (A.C. Baantjer, 1981) [Baantjer werkte als rechercheur op de Warmoestraat vanaf 1955, 38 jaar lang]
Pagina 37:
Prostitutie is een simpel bedrijf met weinig exploitatiekosten en relatief hoge verdiensten. Het zou dus te verwachten zijn, dat vele prostituees tot de klasse der welgestelden behoren. Niets is echter minder waar. De meesten van hen bezitten geen duit en leven van de ene dag in de andere. Ze geven hun geld weer net zo snel uit als zij het verdienen. En vaak nog sneller.
Bovendien zijn er vele kapers op de kust. Gewiekste hoerenwaardinnen/bordeelhoudsters en handige souteneurs zijn de profiteurs bij uitstek. Zij manoeuvreren het 'lichte' meisje meestal in een positie, waarbij van zelfstandige exploitatie geen sprake meer is. Zij wordt geëxploiteerd. Van de vele verdiensten blijft voor de feitelijke bedrijfster van de ontucht in de regel maar bitter weinig over.

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Categorieën
Onestat
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl