kris2.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
deel 5.1 (over Nederlandse (gedwongen) prostituees - deel 1)
 
 
 
Statistieken over Nederlandse slachtoffers van mensenhandel spreken elkaar sterk tegen. Is in de ene statistiek, ongeveer 5% van de slachtoffers Nederlands, in andere is dat 27%. Ik zal voorbeelden noemen, neem de derde rapportage van de nationaal rapporteur mensenhandel; zie tabel 4.2 op pagina 124 en 125. Het gaat over het aantal slachtoffers waar hulpverleners-instellingen mee in aanraking kwamen in het jaar 2002. Het zijn 56 instellingen die in aanraking kwamen met 625 slachtoffers van mensenhandel waarvan 169 Nederlands, dus 27%. Maar bij de Stichting Tegen Vrouwenhandel was het percentage van de slachtoffers van mensenhandel dat Nederlands was 5% (80/1483, hoewel als je de 'onbekenden' wegdenkt dan is dat percentage 6%, zie pagina 86, tabel 3.1 in diezelfde rapportage). Een dergelijk tabel over hulpverleningsorganisaties staat ook in de eerste rapportage van de nationaal rapporteur mensenhandel voor het jaar 2000. Zie tabel 4.2 op pagina 76. Toen was 23% (138/608) van de slachtoffers Nederlands. Als je kijkt naar de opsporingsonderzoeken in de vierde rapportage (zie tabel 3.1 op pagina 13) dan zie je ook weer dat in de periode 2000-2003 een kwart (43 van de 170) opsporingsonderzoeken betrekking heeft op binnenlandse mensenhandel (Nederlandse vrouwen dus), door de jaren heen schommelt het percentage nauwelijks. Maar daarentegen is in de statistieken van het IKP-S registratiesysteem (zie ook weer de vierde rapportage maar dan op tabel 2.5 op pagina 10) het percentage van de Nederlandse slachtoffer ook weer relatief laag (7%, maar wat hoger in 2003; 12%)
Het percentage Nederlandse slachtoffers dat de Stichting Tegen Vrouwenhandel registreerde is (relatief gezien) nooit echt hoog geweest en schommelde tot 2003 zo rond de 5 procent met soms wat uitschieters naar boven of beneden. In 2004 was het ineens 12 procent en plots had in 2005 23% van de bij de Stichting Tegen Vrouwenhandel geregistreerde slachtoffers van mensenhandel de Nederlandse nationaliteit. Waarschijnlijk komt dat omdat door de media-aandacht rond loverboys Nederlandse slachtoffers van mensenhandel sneller als zodanig herkend worden als vroeger.
Aan de andere kant moet natuurlijk gezegd worden dat de statistieken met betrekking tot slachtoffers van mensenhandel waarschijnlijk niet een representatief beeld geven. Grote groepen komen er niet in voor. En de (59) Nederlandse slachtoffers van mensenhandel werden in 2004 voor het overgrote deel gemeld door 2 hulpverleners-organisaties: Bureau Jeugdzorg Overijssel (51 gevallen) en Prostitutie Maatschappelijk Werk Rotterdam (9 gevallen). Dit geeft aan dat een groot deel van de hulpverleners-organisaties slachtoffers van mensenhandel niet of nauwelijks melden, inclusief zulke belangrijke organisaties als het Scharlaken Koord die veel in aanraking komen met Nederlandse slachtoffers van mensenhandel. De STV zegt ook in haar jaarverslag 2005 (zie www.mensenhandel.nl):
De aandacht voor slachtoffers van loverboys en het groeiende bewustzijn dat het hier ook om (binnenlandse) mensenhandel gaat, veroorzaakt dat er steeds meer loverboy slachtoffers worden aangemeld bij STV. Toch vermoedt STV dat er door een heleboel organisaties nog niet aangemeld wordt. Dit laat ook de tabel van de aanmelders zien. Jeugdzorginstellingen leveren slechts een klein aandeel van de aanmeldingen.
***
 
Het lijkt erop dat de meeste Nederlandse raamprostituees door foute vriendjes in de prostitutie zijn gekomen, maar nu veelal zelfstandig werken. Er zijn 3 onafhankelijke bevestigingen van:
-Een agente in het Spijkerkwartier, uit het boek "Verlicht kwartier, 40 jaar Arnhemse Spijkerbuurt" uit 2003 door Kees Crone:
Als gebiedsagent c.q. sociaal werker heeft zij dikwijls vertrouwelijk contact met de 'meisjes'. Velen van hen zeggen voor zich zelf te werken, maar er blijken dan toch bepaalde mannen om hen heen te hangen. 'Als ik zo iemand vraag hoe zij hier verzeild raakte, hoor ik meestal een zelfde verhaal. Ze werd op achttienjarige leeftijd in de disco verliefd op een donkere jongen, juist toen het thuis niet zo lekker liep. Van het een kwam het ander om uiteindelijk achter het raam te belanden. Dat is dan soms al jaren geleden. Ik kan het niet bewijzen, maar ik denk dat de meeste meisjes zo in de prostitutie raken.'
-Het onderzoek door Frank Bovenkerk (e.a.):
Volgens de eerder genoemde Toos Heemskerk, medewerkster van Het scharlaken koord, zijn loverboys erg actief op de Amsterdamse Wallen. Zij meent op basis van haar praktijkervaring te weten dat een groot deel van de Nederlandse meisjes op de Wallen – vooral wanneer het meisjes betreft in de leeftijd van achttien tot twintig jaar - daar via loverboys terecht zijn gekomen. Zij baseert zich op gesprekken die zij de laatste jaren met de meisjes heeft gevoerd. Overigens betekent het niet dat alle Nederlandse prostituees op de Wallen in opdracht van loverboys werken. Uiteindelijk gaan nogal wat meisjes, wanneer ze wat ouder worden, op den duur immers voor zichzelf werken. Maar bij aanvang zouden de meesten daar via loverboys terecht komen. (...)
Tijdens die derde wandeling met de hulpverleenster op de Wallen luisteren we vooral naar de verhalen die de meisjes vertellen. Het is duidelijk, of het lijkt uit de gesprekken in ieder geval aannemelijk, dat van degenen die we spreken zes van de zeven meisjes via een of andere loverboy constructie in de prostitutie terecht zijn gekomen. Na de eerste avond vragen we ons af of dat toeval is. (.......)
Nu dan de lastige vraag of dit allemaal loverboys zijn volgens onze definitie. Hiervan is sprak wanneer zulke mannen jonge vrouwen via romantische manipulatie in de prostitutie brengen We zien in de loop van ons onderzoek kans dit aan tenminste twintig meisjes voor te leggen. Ja, ze zijn oorspronkelijk wel vaak via een verliefdheidsrelatie in de prostitutie terecht gekomen. De manier waarop dit gebeurt is, maakt een buitengewoon doortrapte indruk. De hoofdpersonen in hun verhaaltjes komen inderdaad erg dicht in de buurt van het loverboystereotype. Ze vertellen ons ook dat Marokkaanse jonge mannen (en trouwens ook wel Turken) daar magische technieken bij gebruiken. De meisjes noemen dit voodoo (........) Veel van de meisjes werken nu echter zelfstandig (met een ander, zelfgekozen vriendje op de achtergrond), ze zijn van souteneur gewisseld of ze zijn van de een op de ander overgedaan. Ze vertellen soms voor ettelijke tienduizenden Euro’s verhandeld te zijn.
-Het manifest Uit het donker opgelicht (manifest van een aantal Christelijke hulporganisaties)
Onvrijwillige prostitutie heeft in Nederland de afgelopen twee jaar een grote vlucht genomen. Er lijkt een verschuiving plaats te vinden in het criminele circuit van de met hoge risico’s omgeven handel in drugs naar het vrijwel risicoloos exploiteren van vrouwen. Juist vanwege het ontbreken van toezicht door de overheid op de enorme jaarlijkse geldstroom in de prostitutie, is het voor criminelen zeer aantrekkelijk over te stappen naar deze lucratieve ‘bedrijfssector’. Het kwam dan ook als geen verassing dat van een steekproef onder 439 Nederlandse raamprostituees op de wallen in 2001 en 2002, meer dan 380 vrouwen aangaven dat ze door een loverboy in de prostitutie terecht waren gekomen (...)
Eén ding snap ik niet in het manifest. Er wordt verderop weer ingegaan op de Nederlandse raamprostituees op de Wallen. Er staat:
Van de 427 Nederlandse vrouwen die het Scharlaken Koord aantrof op de wallen in 2001/2002 en die er door een loverboy in waren gekomen, was er geen sprake van een normale arbeidsverhouding. In 7 van de 10 contacten gaat binnen 2 minuten de mobiele telefoon en heeft de vrouw achter het raam per direct uit te leggen waarom er niet gewerkt wordt en wie er bij haar op bezoek is.
Dat snap ik niet. Er waren toch 439 contacten met Nederlandse raamprostituees en toch niet 427??? En er waren er toch 380 die er oorspronkelijk door een loverboy waren ingekomen? Bij welke groep ging in 7 van de 10 contacten binnen 2 minuten de mobiele telefoon af? Bij die 439? Bij die 427? Bij die 380?? Of bij die vrouwen die nu nog voor een loverboy werken?? Ik snap het niet.
 
Maar als ik het wel goed begrijp dan staan volgens het Scharlaken Koord de meeste Nederlandse raamprostituees (in 2001/2002) nog steeds onder controle van die pooiers.
 
Liesbeth Venicz beschrijft Nederlandse prostituees in haar rapport "Achter de ramen, veldwerk onder raamprostituees in Groningen" (1998) (Ze heeft met 21 Nederlandse prostituees gesproken)
Over Nederlandse prostituees die voor pooiervriendjes werkt zegt ze:
Het gaat om vrij jonge meisjes, van net 18 tot een jaar of 25, die vaak afkomstig zijn uit de volkswijken van de grote steden. De meesten zijn op aandrang van hun vriendjes in de prostitutie geraakt, soms nadat ze samen met hem van huis zijn weggelopen. Een ander deel is hun vriendje op de werkplek tegen gekomen. Het gaat hier niet om meisjes met een gewone liefdesrelatie, maar om meisjes die een liefdesrelatie hebben met jongens die vooral geïnteresseerd zijn in de verdiensten van de meisjes. Om deze verdiensten te verkrijgen, nemen de pooiers hun toevlucht tot emotionele manipulatie en zeker in het begin van de relatie tot fysiek geweld. De relatie is nogal eens enkel tot stand gebracht om het meisje in de prostitutie te krijgen. Sommige jongens houden er meerdere meisjes op na. De combinatie van verliefdheid, bedreigingen en isolement maakt het voor meisjes moeilijk om hier uit te breken.
Het betreft hier met nadruk niet alle Nederlandse meisjes. Er zijn ook meisjes die wel zelfstandig werken, soms na enige tijd voor een pooiervriendje te hebben gewerkt, of die er voor kiezen om hun vriendje te onderhouden en zelf het bedrag bepalen wat ze aan hem af staan. Door het rookgordijn dat vrouwen om zich heen creëren, is het niet eenvoudig om precies te bepalen wie wel en wie niet tot deze groep behoort.
Over zelfstandig werkende Nederlandse prostituees zegt ze:
Deze vrouwen zijn meestal boven de 25. Een deel heeft vroeger voor een pooier gewerkt en wil nu nog een tijdje voor zichzelf werken. Een ander deel werkt deeltijd (bijvoorbeeld in de weekenden) of om een bepaald doel te verwezenlijken (om schulden af te betalen of een studie te financieren bijvoorbeeld) of gewoon omdat dit ze de beste manier lijkt om in hun onderhoud te voorzien.
Wat Liesbeth Venicz zegt over de herkomst van de door pooiers gerecruteerde meisjes is opmerkelijk. Ze zegt dat ze dus voornamelijk uit de volkswijken van de grote steden komen. Volgens Bovenkerk geldt er iets anders voor de Nederlandse raamprostituees in Amsterdam:
Het is opvallend dat geen van deze meisjes uit Amsterdam zelf afkomstig lijkt te zijn. Ze komen uit Groningen, Gouda, Harderwijk, Zwolle enzovoort. Let wel: op zichzelf is dit niets nieuws. De prostituees van Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw kwamen uit de nabijgelegen provincies en uit Noord-Duitsland (Van de Pol, 1996: 103) en niet uit de stad zelf. (...)
De moderne souteneurs zijn in vergelijking met de oudere generatie ondernemender en ‘outreaching’. Zij gaan er zelf op af om in de provincie meisjes te werven. De nieuwe jeugdige prostituees komen helemaal niet alleen meer uit de laagste maatschappelijke milieus zoals tot in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw het geval was, prostitutie is geen armoedeverschijnsel meer.
Ik heb zelf een aantal prostituees gevraagd (via internet) of inderdaad de meeste Nederlandse raamprostituees door een fout vriendje in de prostitutie zijn gekomen. 3 bevestigden het, maar 2 benadrukten wel dat de meesten zich ook weer losmaken van hun pooier en dan voor zichzelf gaan werken. Eén van die twee zei dat de meisjes die voor een pooier werken vaak wel gewaarschuwd worden door de prostituees die voor zichzelf werken. Interessant is dat ook 1 prostituee zei dat op de Wallen gedwongen prostituees vaak op de Dollebegijnensteeg, Trompettersteeg, Sint Annendwarsstraat en de Stoofsteeg zitten. De laatste zou zelfs bekend staan als pooiersteeg (er is daar ook een café waar veel pooiers verzamelen). Een prostituee die ooit was gedwongen zei ook dat ze inderdaad in die stegen werkte (niet de Stoofsteeg), haar mening was ook dat meer dan 80 procent van de prostituees gedwongen is. Het grappige ook is dat de laatste prostituee die ik bezocht en die me vertelde dat veel meisjes er een pooier hebben naar ik meende in de Dollebegijnensteeg werkte. Ook de berucht Turkse mensenhandelbende zou in de stegen actief zijn geweest. In een artikel in het Parool (zoek "Turks-Duits Netwerk bediende zich van grof geweld", 7 September 2007 op www.parool.nl) worden een aantal stegen genoemd:
Op de Wallen zetten de broers de vrouwen bij voorkeur op populaire plekken zoals de Trompettersteeg, de Sint Annenstraat en de Sint Annendwarsstraat, de omgeving van de Monnikenstraat en de Oude Kennissteeg - plus uiteraard aan de burgwallen.
Twee prostituees waar ik contact mee had ontkenden überhaupt dat er gedwongen prostitutie is. Een ander zei dat jonge prostituees meestal slachtoffer zijn van een pooier, maar ook oudere prostituees zijn het. Lastig........ Volgens een aantal prostituees die ik sprak is er inderdaad een groot vrouwenhandel-probleem in de raamprostitutie, al weten ze niet de precieze omvang. Percentage's die ze noemden (ik hou van percentage's) waren 0%, 15%, 20%, 30% ,50%, 75-80%.
 
De ex-prostituee Metje Blaak schat in haar boek de trukendoos (1998) dat 30 procent van de prostituees wordt aangezet door haar vriend (pagina 173, hoofdstuk 33). Al weet ik niet of ze bedoelt dat ze vroeger door een vriend erin zijn gekomen of dat dit nu nog zo is (waarschijnlijk bedoelt ze het eerste). Merk op dat zijzelf nooit in de raamprostitutie heeft gewerkt (ze zegt dat in het hoofdstuk over de raamprostitutie, ze werkte vooral in de privé-ontvangst, maar ook als stripteasedanseres in een club). Kennelijk komen de bemoeizuchtige vriendjes dus door de hele prostitutie-branche voor (maar wellicht het meest in de raamprostitutie). Metje Blaak zegt ook in het hoofdstuk over de pooiers dat veel dames van plezier door een vriendje in de prostitutie zijn gekomen (volgens haar zijn dat tegenwoordig vooral Marokkanen die dat doen), maar na een paar jaar weer voor zichzelf gaan werken. Vreemd genoeg ontkent ze in haar boek wel de internationale vrouwenhandel. Ze was (in 1998!!!) van mening dat de grenzen goed waren gesloten en dat vrouwenhandelaren geen kans meer kunnen maken.
 
Metje Blaak lijkt van ideëen te zijn veranderd, in een interview een paar jaar later zegt ze:
Niet echt spijt (in 2002, 7 jaar nadat ze stopte met haar werk als prostituee, werkte van 1970 tot 1995. Interview door Tanya Wijngaarde in Maart 2002 in MUG-magazine)
(...) En tegenwoordig worden acht van de tien meisjes gedwongen. Dat ’s een ellende, daar heb je geen idee van. Die mannen eromheen worden pooiers genoemd, maar dat zijn gewoon vette criminelen. De pooiers van vroeger waren een lachertje vergeleken met wat er nu gebeurt. Je stopte ze wat toe als ze wat voor je deden, en dan dachten ze dat ze pooier waren. In feite had je ze gewoon in de hand. Maar nu worden die meisjes bedreigd met hun leven, dat is een heel ander verhaal geworden. (...)
Ze erkent dus hier impliciet dat de meeste prostituees slachtoffer zijn van mensenhandel. Ik heb hier wel het idee dat ze voor de Rode Draad veldwerk heeft verricht, wellicht in de raamprostitutie.
 
In het boekje Sekswerk (1991) door Sietske Altink zijn 60 prostituees geïnterviewd. 11 zijn er buitenlands: 3 Surinaamse, 2 Indonesische, 2 Latijns Amerikaanse, 2 Françaises, een zigeunerin en een Duitse vrouw. Het overgrote deel is dus Westers. Opmerkelijk: 26 van de geïnterviewde vrouwen hebben ooit gedwongen in de prostitutie gewerkt. Dat is 43 procent van het totaal. Er moet wel gezegd dat er veel raamprostituees meededen aan dit onderzoek. Het waren er 16 (van de 60).
 
In het onderzoek Er gaat iets veranderen in de prostitutie (2000, Liesbeth Venicz, Ine Vanwesenbeeck) zijn 24 van de 105 geïnterviewde vrouwen oorspronkelijk gedwongen in de prostitutie gekomen. Volgens de ondezoekers:
Deze ‘loverboys’ lijken een belangrijke stempel te zetten op deze jongere generatie Nederlandse prostituees. Ook de andere prostituees op de werkplekken waar zij aanwezig zijn, hebben met hen te maken. (...)
Onder de jongste generatie prostituees speelt dwang door pooiervriendjes (in recente publicaties ook wel aangeduid worden als ‘loverboys’) een belangrijke rol in hun 'keuze' voor de prostitutie. Mede onder druk van deze loverboys lijkt de jongere generatie respondenten op jongere leeftijd in de prostitutie te beginnen dan de oudere generatie.
***
 
Het lijkt overigens niet altijd zo te zijn geweest dat Nederlandse prostituees gedwongen werden door hun vriend of pooier. Majoor Bosshardt beschrijft prostituees in de raamprostitutie in Amsterdam in de jaren 60, zie het boek "De sexhandelaars" (1968) door Stephen Barlay:
op pagina 47-48:
Mijn tweede informatie dank ik aan majoor Alida Bosshardt, de organisatrice van het Nederlandse Leger des Heils, die al dertig jaar in de oude stad van Amsterdam heeft doorgebracht, in de haven- en stationsbuurt met als hoofdstraat de Zeedijk te midden van de schilderachtige grachten, kaden en talloze smalle straatjes en stegen. Binnen dit betrekkelijk kleine gebied bevinden zich ongeveer vijftig kroegen, in de omgeving waarvan de ongeveer 3000 prostituées van Amsterdam voor honderden ramen te kijk zitten.
Volgens majoor Bosshardt (die niet lang geleden prinses Beatrix door deze wijk heeft rondgeleid) gebruiken de Nederlandse bewoonsters van deze klassiek-beruchte hoerenbuurt geen verdovende middelen en houden ze zich ook de meisjeshandelaren van het lijf, 'omdat ze niet op avonturen uit zijn'.
'Nederlandse meisjes, prostituées of niet, blijven graag in hun eigen land,' zei hij. 'Een prostituée hier weet wat ze wil. Ze wil graag bij haar familie op bezoek kunnen gaan en een leven naar haar eigen smaak leiden. Haar "minnaar" is meer een huisbewaarder dan een souteneur. Hij doet boodschappen voor haar, houdt het huis netjes en krijgt de bons zodra ze ontevreden over hem is. Meestal beheert zij de kas.
Ze heeft hier dus een zekere mate van geborgenheid. De prostitutie is officieel geoorloofd, het meisje heeft dus niets te verbergen en breekt geen enkele wet, zolang ze rustig voor het raam zit en niemand uitnodigt om binnen te komen.
Het is gebruikelijk dat drie meisjes een raam (en de bijbehorende kamer) delen, waarbij ze precies weten wat dit "zitten" kost. (Ze betalen de huiseigenaar in doorsnee 20 gulden voor een zittijd van 10 tot 16 uur; van 16 tot 22 uur wordt het tarief verhoogd tot 30 gulden en 's nachts van 22 tot 4 uur kost 40 gulden. Bij de prijs inbegrepen zijn de hoofdmaaltijden en koffie en thee naar behoefte). Ze kennen de omvang van hun inkomsten die hier tegenover staan. Waarom zouden ze iets riskeren?
Met de vreemde meisjes - uit Engeland, Duitsland, Azië of Afrika - is het niet zo eenvoudig. Gewoonlijk is hun door een huwelijk verkregen Nederlandse nationaliteit een voorwaarde voor de prostitutie in Nederland. Zij zijn dus in veel grotere mate aan de meisjeshandelaren uitgeleverd.
De houding van de Nederlandse autoriteiten is een verdere reden voor de moeilijkheden van de handelaren in meisjes met betrekking tot de Nederlandse waar. Een klein land als Nederland mag zijn naam in het buitenland niet door kwade elementen in gevaar laten brengen, heet het. Prostituées, die bij de politie bekend staan, krijgen daarom geen paspoort. Wanneer een Amerikaanse GI, die met verlof uit Duitsland overkomt, een Nederlandse prostituée huwt - en er zijn er heel wat die dat doen - dan moet ze eerst nog twee jaar lang een eerzaam leven leiden, voor ze - vaak op grond van onze aanbeveling - een paspoort krijgt.'
De arts Dr. J.W. Groothuyse die jarenlang een praktijk had op de Wallen heeft twee boeken geschreven over prostitutie.
Zie "De arbeidsstructuur van de prostitutie" (1970, J.W. Groothuyse)
 
Pagina 12:
Aangezien de prostitutie op het beperkte gebied dat wij in deze studie kunnen betrekken overgegaan is van een slavernijstructuur in een steeds nuchterder arbeidsstructuur op basis van vrijwilligheid, zullen we ook kunnen vragen naar de moraal. Waar, zoals in de ons bekende omgeving, de uitwendige dwang tot prostitutie steeds meer afneemt, daar komt plaats voor vrijheid en moraliteit.
Pagina 124-125:
De prostitutie in het verleden was meer hiërarchisch en dwangmatig gestructureerd. Zelfs het kind uit de strenge opvoedingsgesticht van destijds aanvaardde de nieuwe autoriteiten c.q. machthebbers in dit souteneursmilieu. ‘Als toen een van de bekende pooiers langs kwam (en er vallen hier namen als: Buck Jonas, de Tijger, Jopie Boefie en anderen) dan leek het wel of  de vrouwen in de steeg in de houding gingen staan, maar nu lachen we ze uit bij wijze van spreken.’ Dit is waar, want de jonge hoer heeft geen respect meer voor klinkende namen, die er overigens ook nauwelijks meer zijn. We stellen dan ook, dat het gemoderniseerde hoertje een meer open vorm van opvoeding gehad heeft, ook als zij uit een tehuis komt. Daarvoor kent zij te veel van de wereld, die voor haar niet meer beperkt is tot een stukje oude binnenstad in het heden en een dorpsplein in het verleden.
Pagina 159:
Persoonlijk prefereren wij deze toestand van vrije vrouwen in een bijzonder vrij land boven de georganiseerde dwang, die de prostituées  in andere Westeuropese landen ervaren, maar willen uitdrukkelijk het volgende stellen: de conventionele vrouw zou voor de prostitutie terugschrikken om morele redenen en omdat zij er te astheen voor is (asthenie is gebrek aan durf, lef zou men hier beter kunnen zeggen) en omdat zij haar erotische macht gebruikt voor het gezin.
Een ander boek is "Het menselijk tekort van de pooier" (1973, J.W. Groothuyse)
Op pagina 16 verdeelt hij de souteneurs in drie groepen. De dupe (passieve) pooier, de werkende pooier (die gewoon een baan heeft) en de crimineel ingestelde souteneur. Het percentage dupe pooiers schat hij op 75%, de werkende pooiers op 15% en de criminele groep op hooguit 10%. Onder de criminele groep rekent hij onder andere (zie pagina 20): de actieve souteneur, de zware souteneur, de harde souteneur, de gemene meester van de vrouw, de meer geharde souteneur-vrouwenhandelaar, bloedpooier, antisociale souteneur (tegen de maatschappij gericht), de criminele souteneur, de ‘beschermer’, ‘het gevaarlijke type souteneur’.
 
Pagina 156-157:
Vooreerst een beperking: zuivere dwang tot prostitutie bij een vrouw die dat niet wil, kennen wij in Nederland nauwelijks, evenmin als vrouwenhandel. Wat ons daarvan bekend is, is afkomstig uit citaten in de literatuur en de dagbladpers.
Pagina 161:
Tot ongeveer 1970 leek het erop dat de bloedpooier aan het verdwijnen was; nu, twee jaar later, zien we echter een toename van mishandelingen, verwondingen, blauwe ogen. De voor de hand liggende conclusie, namelijk dat door import het aantal psychopaten relatief toeneemt, is fout; wat relatief vermeerdert is het aantal displaced persons en gefrustreerden.
Dwang en agressie komen onder invloed van de huidige omstandigheden op een ander niveau te liggen, alles verloopt veel harder, feller en ongecontroleerder. Toch blijven we vasthouden aan de stelling dat in een vrije gemeenschap man en vrouw in de prostitutie aan elkaar gewaagd zijn. Zolang onze samenleving zich te weer weet te stellen tegen corruptie en intimidatie, zolang ook zal de prostituée zich als ‘vrije’ sex-worker kunnen handhaven.
Groothuyse noemt ook uitspraken van prostituees en anderen die soms weer een ander beeld geven dan hij hierboven geeft:
 
Pagina 134:
[H 37-19] [hij bedoelt een prostituee van 37 die 19 jaar in het vak zit] Het ontvangen van geld door een pooier. Hij ziet niet meer dat het eigenlijk haar geld is; zij ziet het zelf ook niet, of liever, ze ziet het (en verwijt het hem natuurlijk) wel, maar zij wil het niet meer zien. Kijk dat moet je (als arts) voor de aardigheid eens doen: dan vraag je gewoon aan zo’n vrouwtje: ‘Hé wat heb je een mooie mantel’ en dan zegt ze: ‘Nou die heb ik van mijn man gehad’. Alleen als ze kwaad zijn dan zeggen ze: ‘Nou, je leeft toch van mijn geld.’ Zo vanmiddag bij voorbeeld: ‘Ik heb van mijn man een mooie trui met een col gehad. Ik had hem al zien staan in de etalage,’ zegt die vrouw. Die vrouwen, die moeten er echt om vragen als ze wat hebben willen, want uit zijn eigen geeft een man sporadisch maar wat. Wel zegt de man: ik heb mijn vrouw getracteerd op een bontjas of een armband.
Pagina 85:
[verpleegster]: Ik heb de pest aan souteneurs, de meiden zelf vind ik wel aardig en pittig. Als die kerels in het ziekenhuis liggen, commanderen ze hun vrouwen nog als die met bloemen en gebak komen. Zo van: ‘Ja, naar huis meid; je moet weer gaan zitten; het is je tijd weer.’
Pagina 58:
[H x-x] Er wordt in de buurt veel geslagen door de kerels; je ziet de vrouwen vaak met een blauw oog; maar het is geen jaloezie, want je weet het toch als man wat je doet. Maar het is van zijn kant stoerdoenerij; wat je als vrouw met de klanten doet weten ze toch nooit.
Pagina 140:
[H 22-1,5] Die pooiers zij af en toe net achterlijk. Er zijn van die periodes bij, dat je je huur niet verdient en dan heb je herrie met je man en dan gaat hij schreeuwen: ‘Je zult wel weer de enige zijn die niet verdient, daar maak ik me druk om.’
Hier een merkwaardige uitspraak van een prostituee die het heeft over het overkopen van zwarte pooiers door prostituees zelf:
 
Pagina 142:
[H x-x] (…) Die meisjes hier uit de buurt kopen die zwartjes van elkaar over; wie er het meeste voor biedt; en de meisjes tippelen erop omdat de zwarte veel mannelijker zijn; het is altijd wel ergens een kerel; het oerachtige van de kerel zit in ze.
Ook F.J.H. Wong Lun Hing had ook een dokterspraktijk in de tijd van Majoor Bosshardt en Dr. Groothuyse , maar dan in de Rosse Buurt van Rotterdam (Katendrecht). Ook hij schreef boeken over prostitutie.
Waaronder “Prostitutie” (Dr. F. J. H. Wong Lun Hing, 1962)
Pagina 121-122:
De man, die financieel voordeel heeft van de status prostitutionis en met wie de PP [puella publica=prostituee] intieme seksuele relaties onderhoudt, is de souteneur (S). De publieke opinie is geneigd in de persoon van de S de uitbuiter bij uitstek te zien. In oppervlakkige gesprekken met PP wordt deze opinie door haar zelf dikwijls bevestigd. Bij een ernstiger en diepgaander onderzoek blijken de uitlatingen van deze PP echter niet uit te komen boven de clichéopvattingen van het merendeel van het publiek. In haar rationalisatie van de door haar zelf niet doorgronde eigen situatie beschouwt zij de S aan haar zijde dikwijls als de man, die haar in deze verderfelijke situatie heeft gelokt en haar thans exploiteert ten bate van zijn eigen portemonnaie. Zij is dus niet de schuldige, zo legt zij uit, maar hij, de man, die haar ertoe bracht. Door middel van chantage en lichamelijk geweld dwingt hij haar deze inferieure rol te spelen. Tenslotte, als er geen uitkomst meer is, berust zij moede in haar harde levenslot en gaat zij voort zich te prostitueren om 's avonds laat doodop thuis te komen om haar loon af te dragen aan haar half dronken meester in ruil voor een pak slaag. Deze publieke opinie gaat van de naïve veronderstelling uit, dat als men iets te weten wil komen van verschijnselen als prostitutie en soutenage, men dit het beste aan de personen in kwestie zelf kan vragen. Door een oppervlakkig journalistiek interview, liefst in een café of bar genomen, wordt dan de algemene opinie bevestigd en in de courant verschijnt een artikel dat menigeen met afschuw vervult. Hetzelfde populaire motief vindt men ook in de en masse vervaardigde films over dit onderwerp, waarbij het zielige 'meisje van het trottoir' door de brute souteneur wordt afgeranseld. Ernstiger wordt het, als de politie in haar maatregelen volgens hetzelfde simpele procédé te werk gaat. Bij de ambtsaanvaarding van een nieuwe commissaris werden op tamelijk grote schaal souteneurs gearresteerd in de kennelijke verwachting hiermede de prostitutie in de kiem te smoren. Als men de aandrijver van het kwaad elimineert, zal degene, die zijn slachtoffer is, van zelf ophouden zich te prostitueren. Bij een enkele razzia of hoogstens twee is zo het prostitutieprobleem ineens opgelost…
Het behoeft geen betoog, dat hiermede de prostitutie in geen enkel opzicht werd beïnvloed. De brieven van de PP aan de gedetineerde S en zijn antwoord aan haar, die ik vaak lezen mocht, getuigden van niets anders dan van een verstoorde liefdesrelatie tussen twee mensen aan de zelfkant van de maatschappij, die elkaar node misten en door de arrestatie nog ongelukkiger waren dan tevoren. Het is van weinig principieel belang, of de PP de door de politie aan haar voorgehouden verklaring, die zij tekenden wel of niet begrepen. Bij velen was het puur argeloosheid, bij anderen juist onderdeel van de S-PP-relatie, dat zij zijn vonnis tekenden, maar het resultaat is in de meeste gevallen hetzelfde. Na de vrijlating van de S hetzij na maanden, hetzij na jaren, worden de relaties al of niet weer aangeknoopt en gaat het leven op de oude voet voort met slechts een droeve ervaring rijker, een ervaring, die deze mensen nog verder van een reclasseringskans heeft afgebracht dan ooit te voren.
Vergeleken met de situatie zoals Bosshardt, Groothuyse en Wong Lung Hing die beschreven, lijkt de situatie in de jaren zeventig daarentegen compleet veranderd zoals beschreven door Margot Alvarez in het boek "Live Sex Acts" door Wendy Chapkis, 1997. Margot Alvarez is één van de oprichtsters van de Rode Draad en werkte eind jaren zeventig en begin jaren tachtig ongeveer 4,5 jaar gedwongen achter de ramen (in Den Haag), zij werd door haar vriend gedwongen:
 
op pagina 202:
I had seen a lot of bruises, saw women using a lot of speed or coke to be able to work the whole night through because if they came home with less than fl. 500 they'd be beaten. Nowadays, a lot more women work independently. But back then, it was kind of unusual for a woman to work without a pimp. I think it was part of the whole idea that a woman needed a man, whores included. The women's liberation movement has really changed that perception, so now you see a lot more women living and working independently—again, whores included.
Margot Alvarez lijkt bijval te krijgen van Ceciel Brand in het tweede hoerencongres in Brussel (Oktober 1-3, 1986), zie het boek "A vindication of the Rights of Whores" (ed. Gail Pheterson, 1989):
op pagina 163:
Ceciel Brand (Netherlands): I am a social worker and I work with prostitutes in The Hague in the Netherlands. I have to say something. I am not just sitting here for the hell of it. Last year I met many women who are in prostitution. Very often they are under pressure and they experience violence. A number of these women are aware of the fact that this congress in being held and they asked me to report back because they are unable to attend themselves. I just wanted to tell that because I think it is very important to go back to them. I hope that all of us sitting here, this large group of women, can support each other and other prostitutes. I think that is of essential importance.
Margot Alvarez (Netherlands): Can I add something briefly? I once worked in The Hague and I know Ceciel as a social worker; in fact, I ended up in the center where she works. The Hague is rather an aggressive city for prostitutes. I know most of the women working there pretty well. I have also noted that many of the women who were abused came out of The Life for some years and then years later went back into the same situation and sometimes it was even worse. I think it's very difficult to save yourself from this kind of situation. I myself had to make a certain decision and say, "Look, it's just too much and I'm not going to do it anymore." Too often women are depicted as victims. I have tried to talk many women out of violent situations and they said, "Okay, fine," and then a week later they are back again. I do think there are lots of abused women in The Hague, very many.
Ceciel Brand heeft ook 12 Nederlandse raamprostituees geïnterviewd. Zij haar rapport "Hulpverlening aan prostituées in Den Haag" (Ceciel de Mol-Brand, 1983).
pagina 8:
(...) Werken ze voor zichzelf of voor iemand anders?.
In 7 gevallen is de partner de "souteneur", degene die ze tot prostitutie aanzet, 5 werken er geheel zelfstandig.
Ook de raam-exploitant "O.J. Timmer" (gefingeerd) laat zoiets doorschemeren (als wat Margot alvarez vertelt) in het hoofdstuk "Beroep: exploitant" door Liesbeth Koenen in het boek "Beroep: prostituee" door Frank Belderbos en Jan Visser (red.) (1987). O.J. Timmer heeft/had(?) een bordeel met 4 ramen in de Geleenstraat in Den Haag.
 
pagina 37:
Timmer vindt het ronduit kinderachtig van de belasting om die meisjes lastig te vallen: "Er worden bedragen genoemd... idioot. Het is onzin. Er zijn dagen dat ze niets verdienen. Bovendien gaat het allemaal naar de souteneur. Want waarom zou een meisje dat geen man heeft de hoer gaan spelen? Het is een soort hersenspoeling. Die vriend vertelt ze wat je wel niet allemaal met geld kan doen. En ze hebben allemaal een doel, een streven, maar na vijf jaar hebben ze niks. ja, een dure auto, of een mooie vakantie gehad. Dat is het dan. Ik ken er geen een die iets bereikt heeft".
"Nee, je moet ze gewoon allemaal laten inschrijven bij de zedenpolitie en dan moet je ze een bedrag per week laten betalen. Een normaal bedrag dat iedereen kan betalen. Laten we zeggen honderd gulden per week. Een vast bedrag dus. Ziekengeld en vakantiegeld hoeven ze dan niet, maar dat kunnen ze wel missen. Want als je aan het eind van het jaar komt is er toch niks meer over. Dat is dan allemaal naar die mannen gegaan."
De meeste meisjes bij Timmer werken full-time. Ook hij verhuurt per dag en per avond, inclusief "dagelijks de werkster, schoon goed en dergelijke". In de Geleenstraat in Den Haag en in de straten eromheen, gaat 'het leven' 24 uur per dag door. Het is het gebied dat de gemeente tot wandel promenade en raamprostitutiezone gemaakt heeft. Hier staat Timmers dubbelhuis (vier ramen). Het is er altijd druk, en niemand heeft er een contract. Wat Timmer betreft moet dat ook maar zo blijven.
In het boek "Van de liefde kun je niet leven — Interviews met hoeren en hoerenjongens" (Marcel Bullinga e.a, 1982) worden Koos en Coby geïnterviewd die seksshops beheren. Er werken ook prostituees, wat zij vertellen zet ook te denken over de situatie in de jaren 80:
zie pagina 30-31:
Koos zegt heel goed op te letten om wat voor redenen de meisjes willen werken. Als er sprake is van dwang, zoals Coby vroeger is overkomen, neemt hij ze bij voorkeur niet. Toch werkt hij ook samen met pooiers. De peeskamertjes in 'zijn' straatje worden alleen aan mannen verhuurd, die er dan op hun beurt weer vrouwen in zetten. 'Je moet niet alle pooiers op een hoop gooien. Er zijn er niet zoveel meer die vrouwen ronselen, zoals vroeger wel gebeurde. Vrouwen weten wel beter tegenwoordig! Ik heb in ieder geval niets te maken met pooiers die vrouwen hardhandig dwingen te werken of die jonge meisjes aan de heroine zetten.'
Maar pooiers zijn geen lieverdjes. Al mishandelen ze de vrouwen niet, ze hanteren allerlei gore trucjes. Coby: 'Ze spelen de vrouwen tegen elkaar uit. Ze spekuleren op de wens van iedere hoer om er mee op te houden. Dan zeggen ze tegen een van hun meisjes dat ze extra hard moet werken, want dan kunnen ze bijvoorbeeld samen naar Spanje om daar iets te beginnen. Dat meisje doet dat en heeft ook het idee dat die anderen min of meer voor haar werken. Ondertussen zegt die vent tegen alle meisjes hetzelfde.' Coby slaat ook de hoeren niet hoog aan: 'Ze trappen overal in, ze zijn veel te romanties en sentimenteel. En ze zoeken allemaal een vaste vent. Als ze die gevonden hebben, gaan ze hem verwennen, kado's geven, geld toestoppen en zo. Ze proberen hem over te halen op te houden met werken, want zij verdient toch genoeg. Zo maken ze een pooier van hem.'
Er zijn dus vrouwen die uit zichzelf de business ingaan. Wat voor vrouwen zijn dat en hoe gaat dat in zijn werk? Koos: 'Ze komen gewoon langs in de shops. Sinds er zoveel shops zijn met relax-mogelijkheden is de prostitutie wat meer opengegooid. De shops hebben dikwijls bordjes voor het raam met: assistente gevraagd. Een meisje dat wil, kan naar binnen stappen en zich aanmelden.' Volgens Koos zijn het allerlei vrouwen, jong en oud, sommigen met een vast beroep. Er zouden veel verpleegsters tussen zitten en meisjes van de kunstakademie. Maar Coby zegt: 'Achter iedere hoer zit een probleem. Je moet het beschouwen als een beroep, dat vind ik tenminste, maar het is niet een beroep waar je zomaar in terecht komt. Als je met ze praat hoor je van alles, de een heeft een te hoge hypotheek, de ander heeft gewoon schulden, de derde wil snel een zaak beginnen. En ze doen het allemaal maar tijdelijk, dat blijven ze jaren achter elkaar zeggen. Maar als ze eenmaal aan het geld verslaafd zijn, stappen ze er nooit meer uit.'
Die situatie in de jaren 80 lijkt ook te worden bevestigd door Ine Vanwesenbeeck in haar studie "Wiens lijf eigenlijk?" — Een onderzoek naar dwang en geweld in de prostitutie (1986):
 
op pagina 18:
Het aantal prostituées dat zonder een mannelijke partner door het leven gaat is klein. Ook al is er een klein aantal vrouwen dat zegt "niks van mannen te hoeven weten", is het grootste gedeelte op de een of andere manier betrokken in een persoonlijke 'intieme' relatie met een man. Uiteraard nemen die relaties zeer uiteenlopende vormen aan, ook met betrekking tot de plaats van dwang en geweld daarin.
Er zijn pooiers en mannen. Pooiers (in de meest extreme gevallen 'bloedpooiers' genaamd) verleiden of dwingen een vrouw doelbewust tot prostitutie, waarin zij de vruchten plukken van haar verdiensten, terwijl 'mannen' vrienden of echtgenoten van een als prostituée werkende vrouw zijn, die in de loop van zo'n relatie meer of minder pooierachtige posities in kunnen nemen. Mijn bevindingen van de afgelopen maanden wijzen er op dat het aantal vrouwen dat voor een pooier werkt nog steeds aanzienlijk is en dat geestelijk en/of fysiek geweld vaak een onderdeel vormt van deze relaties. Om met een van mijn respondenten te spreken: "Het ouderwetse pooierdom is nog steeds aanwezig en ik begrijp niet waar die geruchten vandaan komen dat dat niet zo zou zijn".
pagina 19:
Vaak zal het geweld 'beheerster' gepleegd worden dan in dit geval, er zal goed gelet worden op waar er geslagen wordt, als er een meisje met twee blauwe ogen zit dan verdient ze ook niks. Hoeveel prostituées er aan dergelijk geweld blootstaan blijft vooralsnog duister. Veldwerksters geven allemaal aan, dat percentages moeilijk te geven zijn. De schattingen die gedaan worden naar het percentage prostituées dat in hun relatie zeer regelmatig met mishandeling te maken heeft, lopen uiteen van tien tot dertig procent en nog eens dertig procent 'af en toe'. De schattingen ten aanzien van de vrouwen die een pooier hebben van veertig tot negentig procent!, verschillend per groep of per stad. Er wordt steeds nadrukkelijk aangegeven dat het om niet meer dan een schatting gaat, omdat de prostituées zelf vaak zo weinig ruchtbaarheid geven aan het geweld dat hen aangedaan wordt, met name als het om hun pooier gaat.
Dit is apart. Het lijkt dus zo dat in de jaren 60 de Nederlandse (raam)prostituees heel vrij waren, na een periode van veel dwang en slavernij. Die trend lijkt te veranderen waarin na 1970 volgens J.W. Groothuyse langzaam weer meer dwang lijkt voor te komen. In de jaren 70-80 werden prostituees vaak gedwongen, waarna volgens Margot Alvarez prostituees weer redelijk vrij werden, en nu (~1995-2007) is er dus kennelijk weer de situatie dat veel Nederlandse (raam)prostituees gedwongen worden. Aan de andere kant is het mogelijk dat er een verschil is tussen prostitutiebuurten. Majoor Bosshardt en J.W. Groothuyse hebben het over Amsterdam en Margot Alvarez en de exploitant Timmer hebben het over Den Haag.
 
In de tweede rapportage van de Profeitstudie wordt een mogelijke verklaring gegeven voor de opkomst van de loverboys.
pagina 36:
Er lijken aanwijzingen dat de pooiers van jonge Nederlandse prostituees, die in de media worden aangeduid als loverboys, profiteren van het verdwijnen van een groot deel van de buitenlandse prostituees en de leegstand die daar het gevolg van is.
zie vervolg:
 
 

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Categorieën
Onestat
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl